Ukulele

Er zijn een aantal tips om de noten en intervallen snel op de hals te kunnen vinden. 
De basukulele kan de tips van de basgitaar gebruiken bij het studeren van de noten en de intervallen.

Er is een snelle manier om alle noten op de hals van de sopraan-, concert- en tenorukulele en banjolele te leren. Daarvoor werken we met de stamtonen van de g- en de c-snaar. Deze kun je verdelen in drie groepen:

De groepen zijn gebaseerd op de dots; de cirkels in het schema. Deze dots komen op (nagenoeg) iedere ukulele op dezelfde plaats voor en kunnen zowel aan de voorkant als aan de zijkant van de hals voorkomen als bolletjes, rechthoeken of ander decoratief element. Er zijn ukuleles met een extra dot op de derde fret, deze staat niet in de schema’s.

De noten van groep 1 zijn gesitueerd op de eerste twee dots. Deze noten zijn de cdf en g.
De noot b ligt altijd een halve toon lager - een vak naar links, in de richting van de kop - dan de noot c. De noot e ligt altijd een halve toon lager - een vak naar links, in de richting van de kop - dan de noot f. Weet je de noten c en f te vinden, dan weet je de noten en ook te vinden.
De noot f bevindt zich ook op de laatste enkele dot; groep 2. Weet je deze noot f, dan weet je hier ook de noot te vinden. Rondom de laatste enkele dot op de tweede snaar, de c-snaar, bevinden zich de noten en b
De noten van groep 3 hebben geen echt herkenningspunt, maar dit zijn maar twee noten.

De baritonukelele heeft een andere standaard stemming dan de andere ukuleles. De laagste snaar is de d-snaar, daarna volgt de g-snaar, b-snaar en de e-snaar is de hoogste snaar. Dit is ook de stemming van de vier hoogste snaren van de gitaar.

Ook hier kun je de groepen baseren op de dots.

De noten van groep 1 zijn gesitueerd op de eerste twee dots. Deze noten zijn de gac en d.
De noten van groep 2 zijn gesitueerd op de laatste enkele dot. De noot b ligt altijd een halve toon lager - een vak naar links, in de richting van de kop - dan de noot c. De noot e ligt altijd een halve toon lager - een vak naar links, in de richting van de kop - dan de noot f. Weet je de noten c en f te vinden, dan weet je de noten en ook te vinden (zowel in groep 2 als groep 1).
De noten van groep 3 hebben geen echt herkenningspunt, maar dit zijn maar drie noten.

Wanneer je de stamtonen op de laagste twee snaren kent kun je door omhoog te octaveren de noten op de hoogste twee snaren vinden. Daarvoor schuif je drie vakken naar rechts (in de richting van de body) en twee snaren omhoog (in de richting van de a-snaar).
Voorbeeld:

Je kunt ook omlaag octaveren. Daarvoor schuif je drie vakken naar links (in de richting van de kop) en twee snaren omlaag (in de richting van de g-snaar).
Voorbeeld:

Op de twaalfde fret staat een dubbele dot getekend. De noten in deze vakken zijn dezelfde noten als de losse snaren. Als je verder kijkt zie je - afhankelijk van de hoeveelheid fretten op de hals - weer een aantal dots. Deze dots staan op dezelfde plek als op het eerste deel van de hals. De hals begint dus vanaf de twaalfde fret opnieuw.

In dit hoofdstuk wordt uitgelegd dat je noten en intervallen kunt verlagen en verhogen door middel van respectievelijk het molteken (b) en het kruisteken (#). Naast de afgebeelde verlaagde en verhoogde noten en intervallen zijn er nog andere, minder voorkomende verlaagde en verhoogde intervallen.
Zo kun je de noot b verhogen naar de noot b#, de noot e verhogen naar de noot e#, de noot c verlagen naar de noot cb en de noot f verlagen naar de noot fb. Deze klinken enharmonisch hetzelfde als respectievelijk de noten cfb en e.
Je kunt het interval 3 verhogen naar het interval #3, het interval 7 verhogen naar het interval #7, het interval 4 verlagen naar het interval b4 en het interval 1 verlagen naar het interval b1. Deze klinken enharmonisch hetzelfde als respectievelijk de intervallen 413 en 7
Daarnaast kun je noten ook dubbel verhogen en dubbel verlagen. Dit wordt uitgelegd in hoofdstuk 0.4.

Het octaveren werkt bij intervallen hetzelfde. Ook hier kun je zowel omlaag als omhoog octaveren. 
Het is aan te raden de intervallen ’onder’ de 1 ook te leren, omdat melodieën niet alleen boven de grondtoon (1) worden gespeeld. 

Wanneer je de intervallen 12345en achter elkaar speelt klinkt de (zuiver) majeurtoonladder, de ionische toonladdder. Deze toonladder klinkt waarschijnlijk bekend. Wanneer je onthoudt hoe je deze toonladder speelt dan kun je alle stamcijfers (op ten minste een plaats) vinden en blijven dus alleen de verlagingen en verhogingen over.

In principe kun je alle toonladders en andere melodische muziektheorie spelen wanneer je alle intervallen en noten op een plaats kent. Echter is het voor het overzicht op de hals beter als je de noten en de intervallen op zo veel mogelijk plaatsen kent. Dit stelt je later in staat om sneller te schakelen tussen bijvoorbeeld toonladders en daardoor sneller en over de hele hals te spelen.