Cello en altviool

Er zijn een aantal tips om de noten en de intervallen snel op de hals te kunnen vinden.

Er is een snelle manier om alle noten op de hals te leren. Daarvoor werken we met de stamtonen van de c-snaar en de g-snaar. Deze kun je verdelen in twee groepen:

De eerste groep heeft drie stamtonen op de c-snaar en de g-snaar. Dit zijn de noten d, e, f, a, b en c. Op de noot g na kun je nu alle stamtonen op een plaats op de hals vinden. De noot g kn je eventueel als losse snaar spelen. 

De tweede groep bevindt zich hoger op de hals en bevat ook drie stamtonen op de c-snaar en de g-snaar. Dit zijn de noten g, a, b, d, e en f. Op de noot c na kun je ook in deze groep alle stamtonen spelen. 

Wanneer je de stamtonen op de c-snaar en de g-snaar kent kun je door omhoog te octaveren de noten op de a-snaar en de d-snaar vinden. Daarvoor schuif je twee vakken naar links (in de richting van de kop) en twee snaren omhoog (in de richting van de a-snaar).
Voorbeeld:

De noot in de twaalfde fret is dezelfde noot als de losse snaar. De hals begint vanaf hier opnieuw. Voorbeeld: De noot in het tweede vak van de a-snaar is de b. De noot in het veertiende vak - dus twee vakken na het twaalfde vak - is opnieuw de b.

In dit hoofdstuk wordt uitgelegd dat je noten en intervallen kunt verlagen en verhogen door middel van respectievelijk het molteken (b) en het kruisteken (#). Naast de afgebeelde verlaagde en verhoogde noten en intervallen zijn er nog andere, minder voorkomende verlaagde en verhoogde intervallen.
Zo kun je de noot b verhogen naar de noot b#, de noot e verhogen naar de noot e#, de noot c verlagen naar de noot cb en de noot f verlagen naar de noot fb. Deze klinken enharmonisch hetzelfde als respectievelijk de noten c, f, b en e.
Je kunt het interval 3 verhogen naar het interval #3, het interval 7 verhogen naar het interval #7, het interval 4 verlagen naar het interval b4 en het interval 1 verlagen naar het interval b1. Deze klinken enharmonisch hetzelfde als respectievelijk de intervallen 4, 1, 3 en 7.
Daarnaast kun je noten ook dubbel verhogen en dubbel verlagen. Dit wordt uitgelegd in hoofdstuk 0.4.

Het octaveren werkt bij intervallen hetzelfde. Ook hier kun je zowel omlaag als omhoog octaveren.
Het is aan te raden de intervallen ’onder’ de 1 ook te leren, omdat melodieën niet alleen boven de grondtoon (1) worden gespeeld. 

Wanneer je de intervallen 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 achter elkaar speelt klinkt de (zuiver) majeurtoonladder, de ionische toonladder. Deze toonladder klinkt waarschijnlijk bekend. Wanneer je onthoudt hoe je deze toonladder speelt dan kun je alle stamcijfers (op ten minste een plaats) vinden en blijven dus alleen de verlagingen en verhogingen over.

In principe kun je alle toonladders en andere melodische muziektheorie spelen wanneer je alle intervallen en noten op een plaats kent. Echter is het voor het overzicht op de hals beter als je de noten en de intervallen op zo veel mogelijk plaatsen kent. Dit stelt je later in staat om sneller te schakelen tussen bijvoorbeeld toonladders en daardoor sneller en over de hele hals te spelen.